Geschiedenis van de Gentse Zesdaagse

  1. In 1922 ging de eerste Zesdaagse in Gent van start. Dat gebeurde op een demonteerbare indoorbaan die werd aangelegd in het Feestpaleis van het Citadelpark, destijds dé locatie voor elk groot evenement.

    De eerste Zesdaagse in Gent werd in 1922 gewonnen door Marcel Buysse en Oscar Egg. Buysse kreeg later als pistier meer naam via zijn zoon Albert, die z’n vader opvolgde en negen zesdaagsen en meer dan 100 koppelkoersen won in zijn carrière.
    Ploegmaat Oscar Egg (SUI) is een naam als een klok: in 1914 was hij Zwitsers kampioen op de weg én op de piste in het snelheidsnummer, won hij de twee zwaarste Tourritten én vestigde hij het werelduurrecord met 44,247 km. Tijdens W.O.I reed en won hij enkele zesdaagsen in de Verenigde Staten en na de oorlog bleef Egg nog goed vijf jaar actief als pisterenner.
    De Gentse wielerbaan deed het in die tijd niet zo best: de verwarming liet te wensen over waardoor de wielerbaan ook wels eens “de wielerbaan van Siberië” genoemd werd. Na de Zesdaagse van 1927 werd ze dan ook afgebroken.

    Gentenaar Oscar Braeckman huurde vervolgens een kleine, warme serre, kocht de houten wielerbaan van Kortrijk over en liet ze tijdens de winter van 1928 – 1929 in die kleine zaal heraanleggen. Het “Kuipke” was geboren. De spruit was klein van gestalte, 166,66 meter, met hoge bochten, – vandaar de naam “Kuipke” – ideaal om snelheid te maken.
    En als het tijd was voor de Gentse Floraliën werd de “velodroom” weer afgebroken. En daarna weer opgebouwd.

    Voor de Tweede Wereldoorlog werd er trouwens lang niet elke winter een Zesdaagse georganiseerd. Gebrek aan geld deed de organisatoren soms de das om, en nadien lag het aan de nazi’s: zij verboden tijdens de bezetting de Zesdaagse als “entartete Kunst”, decadent vertier dus.

    Na de oorlogsjaren kwam er een ongekende bloei van de wielerbedrijvigheid en wielerbanen: België telde er in 1948 liefst achttien. Ook de zesdaagses kwamen weer op gang, althans in Europa ; de Verenigde Staten haakten af.

    In 1955 kreeg de Gentse Zesdaagse een andere plaats op de kalender, namelijk in november (voorheen was het maart of februari). Daardoor zijn er in dat jaar twee Zesdaagsen van Gent verreden, één in februari (seizoen 1954-1955), en één in november (1955-1956).
    Tot 1962 werden jaarlijks meetings en zesdaagsen georganiseerd, naast andere spektakels als “Holiday on Ice”.

    Op 12 november 1962 brak er brand uit in het Kuipke. Een onvoorzichtige toeschouwer had de avond voordien een sigaret vlakbij butaangasflessen laen vallen. Die flessen ontploften en de houten piste, het dak en de muren gingen volledig in de vlammenzee op.

    Pas in november 1965 was het Kuipke weer helemaal hersteld en
    ook nu weer had men gekozen voor een pistelengte van 166,66 meter en met schuine bochten (52%), waardoor dit één van de snelste banen van Europa is.
    Patrick Sercu en Eddy Merckx wonnen na de brand de eerste Zesdaagse op de nieuwe Gentse piste in 1965.